OBSTAKELS:

1 - Figuur 8 tussen 2 vaten
De hindernis bestaat uit 2 vaten die zich bevinden op een afstand van 2 meter (3 meter ten opzichte van het middelpunt van beide vaten).
Het paard galoppeert tussen de 2 vaten en maakt daarna een cirkel van ongeveer 3 meter rond het rechter vat. Op het einde van deze cirkel, wanneer het paard op het tussenliggend punt van de 2 vaten komt, moet deze van hand veranderen (galopwissel) en draait het paard rond het linker vat. Op het einde van deze cirkel galoppeert het paard opnieuw tussen de 2 vaten.

2 - Houten brug
Deze hindernis bestaat uit een brug in houten planken die moet worden overgestoken in stap. Deze brug moet minimum 2 meter lang zijn, 1,50 meter breed zijn en een maximale hoogte hebben van 20 cm.
Twee overgangen kunnen eventueel gevraagd worden ( één in elke richting ).
De bodem mag niet glijden.
Deze hindernis moet bestaan uit sterk materiaal zodat deze geen gevaar kan vormen voor de ruiter noch voor het paard.

3 - Dubbele slalom
Deze hindernis bestaat uit 7 paaltjes van 2 meter hoog, die worden recht gehouden door een externe basis, niet bevestigd in de grond, geplaatst in parallele rijen op een afstand van 6 meter. Eén van de rijen telt 4 paaltjes ( n°1, n°3, n°5, n°7 ) geplaatst om de 6 meter. De andere rij telt 3 paaltjes ( n°2, n°4, n°6 ) tevens geplaatst om de 6 meter.
Paaltje n°2 wordt geplaatst tussen paaltje n°1 en n°3, als middelpunt van deze 2 paaltjes, paaltje n°4 tussen n°3 en n°5 en paaltje n°6 tussen n°5 en n°7. Deze hindernis moet op de volgende wijze genomen worden:
Het paard maakt halve cirkels rond de paaltjes, in de volgende van de aangeduide nummers op de paaltjes ( n°1, n°2, n°3, n°4, n°5, n°6, n°7 ) en in de zin die wordt aangegeven op het omloopplan.
De galopwissels ( van hand veranderen ) moeten worden uitgevoerd telkens het paard de middenlijn kruist die de paaltjes denkbeeldig verbindt.

4 - Het springen van strobalen
De hindernis bestaat uit 4 strobalen waarop een balk wordt gelegd. Op de uiteinden kunnen 2 tennisballen gehecht worden.
Het paard moet de hindernis benaderen en erover springen op een natuurlijke manier en zonder aarzelen.

5 - Livestock pen
Deze inspanning is samengesteld door een omheinde ruimte, met een ingang, waar binnenin een andere omheinde ruimte (een hok) bevindt met dieren ( kippen, ganzen, eenden, biggetjes,....) in.
Het paard moet binnenkomen in deze eerste ruimte en een volledige ronde maken in een bepaalde zin rond het hok met de dieren.
Wanneer deze inspanning wordt uitgeoefend in draf noteert de Jury strafpunten.

6 - Single slalom
De inspanning bestaat uit minstens 4 paaltjes van 2 meter hoog, rechtgehouden door een externe basis, niet bevestigd in de grond, geplaatst op 6 meter afstand van elkaar en op een rechte lijn.
De richting van de omloop is bepaald op het omloopplan.
De hindernis moet genaderd worden in galop. Bij elke verandering van richting, wordt een galopwissel gevraagd. De galop ( linker of rechter ) moet overeenstemmen met de richting van de boog uitgeoefend door de ruiter. (In het begin zal de draf worden toegelaten maar niet de stap ). De eenvoudige galopwissel wordt niet bestraft.
De galopwissel moet uitgeoefend worden op het middelpunt tussen de paaltjes


7 - 3 vaten
De hindernis moet op de volgende wijze worden genomen :
Het paard komt binnen in galop, tussen de vaten langs de zijde aangeduid op het omloopplan. Hij draait rond het rechtervat ( of het linker, volgens het omloopplan ) en verplaatst zich in de richting van het volgende vat en oefent een galopwissel uit op de denkbeeldige lijn die de 2 vaten verbindt, hij maakt een volledige cirkel rond het tweede vat. Daarna verplaatst hij zich naar het laatste vat en oefent weer een galopwissel uit op de denkbeeldige lijn tussen het tweede en het derde vat en maakt opnieuw een volledige cirkel rond het laatste vat. Hij verlaat de hindernis langs dezelfde weg als bij het binnenkomen.

8 - Poort
Het poortje moet uit hout of uit hekwerk bestaan en moet sluiten met behulp van een ijzeren ring. Er moet een natuurlijke omheining aan de beide kanten van het poortje gemaakt worden van minimum 2 meter breed en 1,30 meter hoog.
Volgens het plan van de omloop moet het poortje links of rechts openen.
De hindernis moet op de volgende manier genomen worden :
Het paard galoppeert naar de hindernis en nadert deze in stap. Het paard plaatst zich aan de zijkant van het poortje ( links of rechts volgens de opening van het poortje ) Met de rechterhand tilt de ruiter de ijzeren ring op en opent het poortje. Zonder het poortje los te laten, begeeft hij zich naar de andere kant van het poortje.
Wanneer het paard zich volledig aan de andere kant bevindt, mag het paard achterwaarts stappen om het poortje te sluiten.
Om te eindigen, sluit hij het poortje met de ijzeren ring.
Tijdens het uitvoeren van deze oefening mag de rechterhand het poortje niet loslaten.

Er kan een variant gebruikt worden: Het touw of The rope, waarbij vooral bij de speed trail het veiligheidsaspect groter is.

9 - Bel op het einde van een gang en achterwaarts
De hindernis bestaat uit :
a) - 2 balken van ongeveer 4m lang, rustend op 2 steunen van ongeveer 60cm hoogte en vastgehecht in de grond, op een onderlinge afstand van 1,20m zodat er een gang wordt gevormd.
b) - een belletje geplaatst op het einde van de gang op een hoogte van ongeveer 2m.
Deze hindernis moet op de volgende wijze worden genomen :
Het paard benadert de hindernis in stap, hij stapt de gang in tot op het einde. De ruiter laat het belletje rinkelen. Het paard verlaat de gang achterwaarts totdat de voorbenen uit de gang zijn.

10 - Kruik
Deze hindernis bestaat uit een tafel van ongeveer 1m hoog met een vierkant blad van 1,5m waarop een kruik met water wordt geplaatst.
De hindernis wordt op de volgende manier genomen :
De ruiter moet de tafel benaderen, de kruik nemen en drinken of de kruik boven het hoofd tillen en daarna de kruik terug op de tafel zetten.
De kruik mag worden vervangen door een fles vol met water of met zand.

11 - Achterwaarts in « L »
Een gang in « L »vorm met 2 segmenten van 4 m elk op een breedte van 1,5m. De laterale afbakening van deze hindernis wordt verzekerd door een omheining identiek aan de afsluiting van de dressuurpiste, met tennisballen op de uiteinden.
Het paard komt binnen in de gang in stap of galop en, op het einde van de gang, rinkelt de ruiter de bel. Hij verlaat de gang achterwaarts en beschrijft de « L »vorm en volgt hetzelfde trajekt.
Een variant kan zich voordoen op het einde van de gang : wanneer de ruiter binnenkomt in de gang in « L » vorm, kan er op het einde van de gang, aan de rechterzijde, een paaltje staan van ongeveer 1,60m hoog met een glas erop. De ruiter neemt het glas en verlaat de gang in « L »vorm achterwaarts zoals hierboven beschreven. Bij het buitenkomen van de gang bevindt er zich een ander paaltje eveneens aan de rechterzijde en plaats hierop het glas.

12 - Zijwaarts stappen over een boomstam/ Side pass
Deze hindernis bestaat uit een boomstam (of balk) van 4m geplaatst op 5cm van de grond.
Het paard nadert de hindernis (langs de linker- of de rechterkant volgens het omloopplan) en plaatst zich loodrecht ten opzichte van de boomstam. Daarna beweegt het paard zich zijdelings, de boomstam tussen de voor- en de achterbenen latend.
De boomstam mag niet geraakt worden.
Kan ook uitgeoefend worden met 3 balken van 2,5m geplaatst in een « L » of « Z »vorm.

13 - Wegnemen van een stok uit een vat
De ruiter nadert het vat (of een ander vervangend voorwerp) dat de stok (garrocha) bevat in galop en neemt deze stok zonder enige reaktie te veroorzaken van het paard.

14 - Plaatsen van een stok in een vat
De hindernis verloopt hetzelfde zoals beschreven in n°13. Het enige verschil is dat de stok in het vat (of een ander vervangend voorwerp) wordt geplaatst.
Wanner de stok de bodem van het vat raakt en eruit veert, wordt deze oefening beschouwd als geslaagd.
Wanneer het vat omvervalt, wordt dit bestraft.
Wanneer de stok op de grond valt vóór het plaatsen in het vat, mag de ruiter de proef niet voortzetten anders heeft uitsluiting tot gevolg. Wanneer dit gebeurt moet de ruiter afstijgen, de stok oprapen, weer opstijgen en de proef voortzetten.

15 - Ringsteken of voorwerp wegstoten
Met behulp van een stok (garrocha) een bal laten vallen of een ring over de stok schuiven die zich op een hoogte bevindt
Met het uiteinde van de stok en in galop moet de deelnemer een bal laten vallen die zich op een houder op een zekere hoogte bevindt.

De oefeningen 13, 14 en 15 kunnen worden beschouwd als één oefening

16 - Af- en opstijgen van het paard en stilstaan zonder hulp van derden
De ruiter stijgt af en haalt 3 meter verder een voorwerp op of ringt een bel. Deze oefening moet aantonen dat het paard stilstaat en zich rustig en kalm houdt tijden het af-en opstijgen van de ruiter. Dit is noodzakelijk voor elk paard tijdens het werk op het veld.

 

17 - Een beek oversteken
Deze oefening is eveneens fundamenteel voor een werkpaard.
Het paard moet het « beekje » op een vastberaden manier, zonder aarzelen, oversteken, erop wijzend dat het paard de gewoonte heeft om in het water te gaan.

18 - Bank/Afsprong
Deze hindernis is identiek aan het « banquette » gebruikt bij de Cross van het CCE : deze begint met een helling en geeft uit op een horizontaal vlak van ongeveer 60cm van de grond en eindigt op een vertikaal profiel.
Het objektief is na te gaan hoe het paard deze hindernis benadert (hetzelfde begin als bij de brug) en hoe hij meteen ongeveer 60cm naar beneden springt enkel door vertrouwen te hebben in de hulpen van de ruiter.

19 - Een beker verplaatsen van het ene paaltje naar het andere paaltje
Deze hindernis bestaat uit 2 paaltjes van 2m hoog, niet in de grond bevestigd en elk op een afstand van 1,20m.
Het paard moet halthouden op de denkbeeldig lijn die de 2 paaltjes met elkaar verbindt. De ruiter neemt het bekertje ( keuze tussen de linker- of de rechterhand ) dat zich bevindt op het linker of op het rechter paaltje en verplaatst het bekertje naar het andere paaltje. Het bekertje mag niet worden verwisseld van hand.

Ook kan deze oefening gereden worden met achterwaarts, recht of slalom.

20. Waterdoorwaadplaats
Deze oefening is eveneens fundamenteel voor een werkpaard.
Het paard moet het « water» op een vastberaden manier, zonder aarzelen, oversteken, erop wijzend dat het paard de gewoonte heeft om in het water te gaan.

 
 

meer foto's van de WE trail en speedtrail op deze site

en op de site van Jolanda Scheepen

 

Voorbeelden Stijltrail in Nederland:

WE1 Instappers Stijltrail
Robert en Grelo

WE2 Beginners Stijltrail
Cyrina en Bobby

WE3 Gevorderden Stijltrail
Chawwa en Quilo

 

En de Speedtrail:

WE2 Beginners Speedtrail
Cyrina en Bobby

WE3 Gevorderden Speedtrail
Chawwa en Quilo